Europees Hof: verplichte vaccinatie voor welbepaalde beroepsgroep discrimineert niet
Het Europees Hof van Justitie oordeelt dat een verplichte vaccinatie voor een welbepaalde beroepsgroep niet in strijd is met het Europese discriminatieverbod. Het arrest volgt op een prejudiciële vraag van de Italiaanse rechter in een zaak over de vaccinatieplicht voor militairen.

Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Het Europees Hof van Justitie te Luxemburg velde op 18 juni een arrest over de vraag of het opleggen van een verplichte vaccinatie aan een welbepaalde beroepsgroep en niet aan andere beroepen in strijd is met het discriminatieverbod (arrest C-522/24, ECLI:EU:C:2026:498).
Het arrest werd geveld na een prejudiciële vraag van de hoogste Italiaanse rechter over de interpretatie van de richtlijn 2000/78/EG 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. Dit naar aanleiding van een klacht van een Italiaanse militair die was geschorst omdat hij weigerde zich te laten vaccineren tegen het SARS-CoV-2-virus.
Geen directe discriminatie
Artikel 2, lid 2, a) van de richtlijn verbiedt directe discriminatie, waarmee wordt bedoeld iemand ongunstiger behandelen dan een ander in een vergelijkbare situatie. De Italiaanse rechter vroeg aan het Europees Hof of hier sprake was van directe discriminatie. Volgens het Hof is er pas sprake van ongelijke behandeling wanneer personen die behoren tot een zelfde beroepsgroep op een verschillende manier worden behandelend.
De Italiaanse wet legde aan militair personeel een verplichte vaccinatie op als voorwaarde voor de uitoefening van hun beroepsactiviteit, terwijl civiele personeelsleden die hun taken in dezelfde omgeving en in een vergelijkbare medische context verrichten niet aan een dergelijke verplichting werden onderworpen. Het Hof oordeelde dat dit verschil in behandeling niet onder het directe discriminatieverbod valt omdat het verschillende beroepsgroepen zijn.
Geen discriminatie op grond van overtuiging
Artikel 2, lid 2, b) verbiedt indirecte discriminatie op grond van onder meer iemands overtuiging. De geschorste militair voerde aan dat hij werd gediscrimineerd op grond van zijn overtuiging. Volgens hem kon de opgelegde vaccinatieplicht, gelet op de door hem te vervullen taken, niet worden gerechtvaardigd om gezondheidsredenen. Ook beweerde hij dat een dergelijke vaccinatie niet doeltreffend was wat de overdracht van het SARS-CoV-2-virus betreft.
Volgens het Europees Hof trachtte de militair met dergelijke argumenten niet om eigen overtuigingen tegen te werpen aan de verplichte vaccinatie, maar kwam hij op tegen de keuzen van de Italiaanse autoriteiten op het gebied van de volksgezondheid. Van discriminatie op grond van zijn overtuiging was dus geen sprake, aldus het Hof en dus evenmin van een inbreuk op de richtlijn.