Exclusief interview met APB-voorzitter Michael Storme
"We zijn een investering, geen kost"
Sinds 1 mei is Michael Storme voorzitter van APB. In die functie volgde hij Koen Straetmans op. In een exclusief interview met De Apotheker blikt hij vooruit op de uitdagingen waar Belgische apothekers voor staan.
In een eerder interview stelde u dat apothekers soms tegen de grenzen van het haalbare aanlopen. Beschikt APB over objectieve gegevens over hoeveel tijd administratieve verplichtingen en nieuwe zorgdiensten werkelijk kosten?
Michael Storme: Nee, helaas niet. En zeker niet over de administratieve verplichtingen, over alles wat achter de schermen gebeurt. Als we daar al cijfers over hebben, zijn dat vaak gevoelsmatige cijfers. Uit een jaarlijks weerkerende bevraging naar het aantal uren dat apothekers wekelijks bezig zijn met onbeschikbaarheden, blijkt dat rond 10 à 12 uur te schommelen, een cijfer dat vergelijkbaar is met het Europees gemiddelde. Zonder me vast te pinnen op het exacte aantal uren, stel ik wel vast dat de inschatting van de apothekers jaar na jaar toeneemt. We zijn ooit begonnen op 7 à 8 uur. Dus ergens leeft het gevoel zeker wel dat de administratieve last toeneemt. Als iedereen hetzelfde gevoel heeft, is dat meestal terecht.
Is al deze administratie nuttig?
Laat me duidelijk zijn. Ik wil absoluut niet de boodschap geven dat we tegen reporting zijn. Jammer genoeg gaat het echter vaak om onnodige of dubbele administratie, soms zelfs nog op papier. De overheid heeft wel oren naar onze klachten over administratieve overlast. Maar tussen ergens oor naar hebben en een oplossing zit soms een groot verschil.
'De overheid heeft wel oren naar onze klachten over administratieve overlast.'
Welke onnodige administratieve handelingen mogen voor u snel verdwijnen?
Er zijn een aantal registers die nog steeds op papier afgedrukt moeten worden. Wij zijn van mening dat het digitaal bijhouden van deze registers minstens even kwalitatief is. Daarnaast worden we geconfronteerd met veel attesten, waarvan een aanzienlijk deel op papier is. Neem bijvoorbeeld de attesten voor sondes, medische voeding of zuurstof. Deze attesten vormen al een administratieve belasting wanneer ze in orde zijn. Wanneer ze niet in orde zijn, is dat dubbel belastend.
Wat verwachten jullie van de overheid om die administratieve belasting te verminderen?
We beseffen dat de overheid met de beschikbare middelen prioriteiten moet vastleggen en niet alles kan oplossen, maar wij zijn al lang vragende partij om de nog bestaande papieren attesten te digitaliseren. We zijn ook vragende partij om alle manuele toevoegingen op voorschriften voor bijvoorbeeld zorgtrajecten te digitaliseren. We stellen die vraag regelmatig aan de overheid, zowel als APB als via de weg van FVB (Federatie Vrije Beroepen) en UNPLIB (Union Nationale des Professions Libérales et Intellectuelles de Belgique), waar we lid van zijn. Artsen kunnen een partner zijn bij de vraag naar vereenvoudiging en digitalisering. Ook voor hen zijn veel attesten een doorn in het oog.
Een voorbeeld waarvoor ik al lang strijd, betreft de import van een onbeschikbaar geneesmiddel. Sinds enige tijd kan je daar via het RIZIV terugbetaling voor krijgen nadat het FAGG de import via een groothandelaar heeft goedgekeurd. Toch moet daarna nog steeds, wanneer de apotheker zelf ditzelfde geneesmiddel invoert, een bijkomend attest van import worden getekend door een arts. We vragen ons af wat het nut daarvan is. Wij zien daar niet meteen de meerwaarde van in. Dat is er één die meteen mag worden afgeschaft.
Er is momenteel een tendens van schaalvergroting van de officina's. Is dat volgens u wenselijk, onvermijdelijk of houdt dat een risico in?
Voor mij is schaalvergroting geen doel op zich. Het doel moet zijn goede en nabije zorg dicht bij de patiënt aan te bieden, waarbij ook oog is voor een goede spreiding over het land. Dus niet enkel op de meest economisch rendabele plaatsen. Op dat vlak hebben we de wetgeving aan onze kant met het moratorium en de spreidingswet. Men spreekt vaak van een vestigingswet, maar eigenlijk is het een spreidingswet die waakt over de goede spreiding over het land. Dat is een essentieel verschil. Niettemin zien we dat het aantal apotheken in België afneemt. Binnen een Europese context evolueren we richting de hogere middenmoot. We komen van plaats drie of vier en staan nu op negen of tien qua aantal apotheken per inwoner. Die evolutie gebeurt hoofdzakelijk op een natuurlijke manier.
Is dit een goede ontwikkeling, of zou deze nu moeten stoppen?
We moeten vooral kijken naar de kwaliteit van de zorg die moet worden geleverd. De economische realiteit bepaalt dat je daarvoor voldoende schaalgrootte nodig hebt. Schaalvergroting stopt voor mij wanneer nabijheid van zorg een probleem wordt. We zien trouwens dat een aantal Europese landen proberen om opnieuw apotheken te krijgen in wat men zorgwoestijnen noemt. Plaatsen waar het economisch weinig rendabel is om een apotheek open te houden, plaatsen waar men als het ware apotheken moet financieren om hen te laten bestaan. We zijn wel nog steeds de belangrijkste en meest laagdrempelige toegangspoort tot de zorg. De deur van de apotheker staat steeds open en hij is steeds aanwezig. Dat is een unieke positie die we niet in gevaar willen brengen.
APB stimuleert medicatienazicht door de apotheker. Wringt dat niet met het personeels- en tijdstekort waar apothekers mee te kampen hebben? Is dat de reden waarom het – ondanks de vergoeding – niet helemaal van grond komt?
We moeten toegeven dat het een minder goede start heeft genomen dan we hadden ingeschat en gewenst. Ik weet echter niet of dit altijd een kwestie van personeels- en tijdsgebrek is. Er bestaat zeker een vorm van drempelvrees bij sommige apothekers. Hoewel we hoogopgeleid zijn, zijn we het niet gewoon om een-op-een zo diepgaand met artsen over patiënten te spreken. Dat geldt trouwens in twee richtingen, dus ook van de arts naar de apotheker. Het is iets dat moet groeien, dat niet in enkele weken of maanden kan worden bewerkstelligd. We stellen vast dat het project groeit. Bijkomend moet het belang van dergelijke dienstverlening ook bij de patiënten zelf meer beginnen te leven.
Er zijn ongetwijfeld ook apotheken waar de personeelscapaciteit een rol speelt. Elke apotheker zal – terecht – altijd voorrang geven aan het zo optimaal mogelijk uitvoeren van zijn hoofdtaak. Dat is nog steeds met de nodige zorg en kwaliteit geneesmiddelen afleveren aan de patiënt. Daarnaast bestaat er de farmaceutische zorgdienst. Niemand is verplicht die te doen, maar wij staan er uiteraard wel achter omdat we overtuigd zijn van de kwalitatieve meerwaarde van deze diensten. Daarom moeten apothekers misschien langzaam leren zich anders te organiseren.
Op welke manier kunnen apothekers zich anders organiseren?
Bijvoorbeeld door op afspraak te werken. Een medicatienazicht stel je niet voor aan een patiënt die voor een geneesmiddel binnenkomt met de doelstelling om dit onmiddellijk uit te voeren. Medicatienazicht is planbare zorg die een adequate tijdsinvestering vraagt, iets waar we als apothekers niet zo gewend aan zijn. We focussen normaal gesproken meer op ongeplande zorg, en proberen flexibel te reageren op de behoeften van patiënten. We moeten op een andere manier leren werken: een gesprek inplannen, dat gesprek voorbereiden, het gesprek voeren met de patiënt en daarna eventueel een gesprek inplannen met een arts. Dit vereist een verandering van denkwijze, niet alleen bij apothekers, maar ook bij patiënten en artsen. De patiënt is het niet gewoon om planmatig, een-op-een met de apotheker in gesprek te gaan. Dat moet groeien, maar het initiatief zal wel van de apothekers moeten komen.
'Het medicatienazicht heeft een minder goede start genomen dan we hadden ingeschat en gewenst.'
De volgende vraag is dan uiteraard of de huidige vergoeding volstaat om deze taak op zich te nemen?
Voor mij is dat het klassieke 'de kip of het ei'-verhaal. De eerste keer dat je het gesprek voert, volstaat de vergoeding wellicht niet. Maar hoe meer je het doet, hoe bedrevener je erin wordt en hoe efficiënter het gesprek zal verlopen. Weet je, een van de grootste uitdagingen is vaak het beëindigen van een gesprek met de patiënt. Je kan een gesprek inhoudelijk heel goed voorbereiden en voeren, maar je moet het ook kunnen afronden en stopzetten. Dat is niet makkelijk en moet je leren. We ondersteunen onze leden om dat via bepaalde methodieken onder de knie te krijgen. Ik stel vast dat veel apothekers een intensieve opleiding volgden om deze dienst te kunnen aanbieden. Vergelijken we met andere landen, dan krijgen we een correcte vergoeding.
Moeten apothekers toegang krijgen tot meer klinische informatie om een medicatienazicht verantwoord uit te voeren?
We kunnen heel wat doen op basis van de gegevens waarover we vandaag beschikken. We hebben de eigen gegevens, opgeslagen in onze apotheeksoftware. We halen ook gegevens uit het gesprek met de patiënt, die bijvoorbeeld toegang heeft tot zijn eigen labowaarden. Het zou natuurlijk veel vlotter gaan, mochten we deze waarden zelf in onze software hebben. Weinig artsen maken er een probleem van dat we medicatie – bijvoorbeeld antibiotica – voor kinderen narekenen op basis van hun gewicht. Dat vindt men normaal. Maar diezelfde berekening bij een oudere doen en gewicht vervangen door nierfunctie, ligt blijkbaar wel wat moeilijker. Ik zie daar in wezen eigenlijk weinig verschil tussen. Twee keer is de vraag of een bepaalde dosering niet risicovol is voor de patiënt.
Verwachten jullie dat het BIHR (Belgian Integrated Health Record) hier een oplossing kan bieden?
Ik kan daar een heel kort antwoord op geven: ja. Die stappen worden ook gezet. Eerst de politieke stappen en daarna de praktische uitwerking. Ik heb geleerd dat stappen in de digitale wereld soms zeer uitdagend kunnen zijn en het soms even duurt voor ze tot resultaten leiden.
Nog even terugkomend op uw opmerking dat een arts er geen probleem van maakt dat de apotheker de dosering van een kind bekijkt en aanpast, maar er mogelijks wel een probleem van maakt wanneer dat bij ouderen gebeurt. Op welke manier kan dat opgelost worden?
In eerste instantie is het steeds belangrijk open in gesprek te gaan. Lokaal zie ik ook weinig problemen. Wanneer ik naar een huisarts bel, ziet hij het belang ervan in en maakt er geen probleem van. In de toekomst zou gewoon een politieke keuze moeten worden gemaakt en die stappen worden ook gezet. Wederkerigheid van data zou eigenlijk de norm moeten zijn. Het zijn de data van de patiënt, niet van de ene of de andere zorgverstrekker. Dan kan je ook stappen vooruit zetten in bijvoorbeeld preventieve geneeskunde of geïntegreerde zorg. Die stappen worden gezet, maar ik ben nogal ongeduldig van aard. Het kan en mag altijd sneller gaan.
Hoe kijkt u naar het concept van de huisapotheker?
Dat is een uiterst positieve evolutie die bijdraagt tot de erkenning en de verankering van de apotheker als een centrale zorgverlener. Momenteel houdt het concept vooral in dat de huisapotheker het medicatieschema up-to-date houdt en dat deelt met andere zorgverstrekkers. Eigenlijk is de invulling veel ruimer. Het medicatieschema is een goed middel om de patiënt op een continue basis op te volgen vanuit de apotheek. Ik ben ervan overtuigd dat dit de toekomst is en beantwoordt aan de maatschappelijke verwachting van wat een apotheker doet en kan doen. De apotheker is een begeleider van de patiënt rond medicatiegebruik. Soms spreekt men van een medebehandelaar, maar dat blijft een gevoelige term omdat je dan al snel bij het stellen van een diagnose komt. En daar blijven we van weg. Laat me duidelijk zijn: we zoeken geen polemiek met de artsen, integendeel. We willen wel de begeleider of de coach zijn van de behandeling die de arts voorschrijft.
Wanneer is een vergoeding volgens u “correct”? Moet ze alleen de uitvoering van een zorgdienst dekken, of ook voorbereiding, opleiding, registratie, overleg en gemiste tijd aan de balie?
Daar moet een evenwicht worden gezocht. Enerzijds moet de vergoeding een antwoord bieden op de tijdsinvestering die je erin steekt, anderzijds moet ze ook gelinkt zijn aan de complexiteit van de zorgverlening, de verleende service en de verantwoordelijkheid die bij bepaalde diensten hoort. In de onderhandelingen met de overheid nemen we deze elementen steeds mee. Uiteraard weten we ook wel dat we in budgettair krappe tijden verkeren. Het stoort me wel dat apothekers door de overheid nog steeds – en dat is zo in bijna alle landen ter wereld – gezien worden als een onderdeel van de kost van geneesmiddelen. Wij zijn een 'kost', terwijl alle andere zorgverleners gezien worden als een investering in gezondheidzorg. Ook wij verdienen het gezien te worden als een investering in de zorg, meer bepaald in laagdrempelige en nabije zorg. Psychologisch is het belangrijk een investering en geen kost te zijn. Die woorden hebben een andere connotatie. Spreek je van investering dan houdt dat een hogere appreciatie van de apotheker in.
'Wij verdienen het gezien te worden als een investering in de zorg.'
Naast opgelegde taken, zijn er ook taken die de apothekers vrijwillig op zich nemen, zoals de afbouw van benzodiazepines. Hoe gaat dat in zijn werk?
Wij stellen inderdaad zelf projecten voor aan het RIZIV, waarbij we in eer en geweten een correcte vergoeding voorstellen. Het staat elke apotheker vrij om deze dienst al dan niet aan te bieden. We vragen enkel: als je het doet, doe het dan kwalitatief.
Nemen grote apotheken vaker deze extra diensten op dan kleine officina's?
Ik ben er niet van overtuigd dat kleine apotheken deze diensten minder vaak aanbieden. Het wordt eerder bepaald door de keuze van de apotheker hoe zich te positioneren binnen de nieuwe zorgverlening. Je hebt natuurlijk als apotheker maar de tijd ter beschikking die er is, maar je kan die wel deels zelf invullen. Ik stel ook vast dat officina's ruime openingsuren hebben. Onze beschikbaarheid is groot.
In veel beroepsgroepen horen we dat de jonge generatie anders aankijkt tegen de work-lifebalance. Geldt dat ook bij apothekers?
Hier kan schaalvergroting misschien een oplossing bieden. Als je met meerdere apothekers een team vormt – dat hoeven er geen tien te zijn – dan hoeft niet iedereen tot half zeven in de officina te blijven. Je kan de taken onder elkaar verdelen. Dat vraagt een beetje organisatorische inspanning en misschien een andere mindset, maar ik merk dat veel apotheken al op deze manier werken. Denk je als apotheker elke avond om vijf uur te kunnen stoppen, dan heb je wel een verkeerde job gekozen. Dat is niet de realiteit van een verantwoordelijke job als de onze. We informeren onze leden ook over nieuwe organisatiemodellen.
Kan u een voorbeeld geven?
Samenwerken in één officina is één ding, maar je kan samenwerking stimuleren tussen meerdere apotheken. Waarom zou een cluster van drie of vier officina's niet samenwerken en aan taakverdeling doen. Dat zou mogelijk voordelen kunnen opleveren.
Steeds meer dure geneesmiddelen worden via het ziekenhuis afgeleverd. Welke geneesmiddelen of patiëntengroepen wilt u opnieuw of nadrukkelijker in de officina verankeren?
Ik kan daar heel eenvoudig over zijn. Naar mijn mening horen alle geneesmiddelen voor therapiestabiele patiënten die geen gespecialiseerde toediening in het ziekenhuis vereisen, thuis in de officina. We vinden het – ook in het belang van de patiënt – belangrijk dat deze middelen beschikbaar zijn in de nabijgelegen officina. Vaak is dit een budgettaire keuze, maar dan moet men geen appelen met peren vergelijken. De financiering van een officina met onder meer de infrastructuur, het eigen loon en het loon van medewerkers, verschilt sterk van de financiering van een ziekenhuisapotheek.
N-VA-kamerlid Kathleen Depoorter klaagde onlangs in een opiniestuk in De Apotheker aan dat buitenlandse bedrijven – zonder Farmaline te noemen – de baten van geneesmiddelenverkoop hebben, maar niet de lasten zoals bijvoorbeeld het terug inzamelen van vervallen medicatie. Een terechte aanklacht?
Inhoudelijk heeft ze volledig gelijk, maar er is het huidig Europees juridisch kader. Wij pleiten er al langer voor iedereen gelijk voor de wet te behandelen. We pleiten ervoor dat je niet moet beantwoorden aan de wetten van het land van vestiging – in dit geval Nederland – maar wel van het land waar de geneesmiddelen worden afgeleverd. Ik stel, met Kathleen Depoorter, vast dat een bedrijf als Farmaline dat vandaag niet doet. Ik begrijp maar al te goed dat dit onrechtvaardig overkomt bij de apotheker die de lasten draagt. Er beweegt wel een en ander. De Raad van Europa publiceerde onlangs een aanbeveling dat geneesmiddelen die online of op afstand worden verstrekt, moeten voldoen aan de wetgeving van het land van bestemming. Maar dat is wel nog maar een aanbeveling, en dus geen regelgeving.